Ook de afgelopen weken zijn natuurlijk niet probleemloos verlopen.
De schapen, die op de rammen na allemaal op het dekveld verbleven, zijn over het ijs aan de wandel geweest. Het is een vreemde gewaarwording om met een baal hooi en een zak voer op een heel leeg weiland aan te komen. En zelfs op buurvelden waren ze niet te zien. Dat betekent dus in de auto springen, om hulp bellen en rondrijden tot er in de verte, héél in de verte, een klein koppel waarneembaar is dat met het oog der liefde als het verloren koppel gezien kan worden. En dan loop je dus met je twaalfkoppige kudde over de weg en langs het fietspad. Auto’s en brommers moeten stoppen en je voelt je heel vorige-eeuws en Engels. En weer betekent dat paaltjes verplaatsen, draden spannen en met stroomkastjes sjouwen.
Het allerkleinste rammetje bleef ontsnappen natuurlijk en op een gegeven moment, in het vertrouwen dat hij in de buurt van de anderen zou blijven, heb ik het maar zo gelaten. Overigens sprong hij terug, telkens als ik het parkeerterrein op kwam.
De veearts meldde dat het aangevallen schaapje nooit meer, op meer dan drie poten zou kunnen lopen. Na enig zoeken had ik een leuk adres voor hem kunnen regelen om de rest van zijn leven in gezelschap te kunnen rondhobbelen. Helaas heeft dat niet zo mogen zijn; het zwarte ouessantje is toch dood gegaan.
Inmiddels hadden we de twee jonge rammetjes verkocht, Jantje in eenzaamheid achterlatend. We hadden er de zwarte ooi met het kuifje bijgezet. Heeft ie wat te doen, dachten we. Maar Kuifje wilde niet bij haar kudde weg. Uiteindelijk heeft zij de leiding. En dus vonden we haar de volgende ochtend met Jantje ijsberend achter het hek van het grote veld. We hebben ze maar binnengelaten.
Omdat we een aantal schapen leeg wilden laten, plaatsten we ze in de grote pen, met nog een extra stroomdraadje om Jantje tegen te houden. Jantje gedroeg zich prima, maar de helft van de ooien trof ik de volgende dag weer in het grote veld aan. Het werd al donker, en Kuifje, die geen zin in Jantje had, maar blijkbaar wel in eten, sprong in haar ongeduld over het gaas en bleef daarbij met één achterpoot in het bovenste draad hangen. Ik heb nog steeds geen idee hoe ze zichzelf zo kon vastdraaien. Ik weet wel, dat ik lichtelijk in paniek op zoek ging naar de gaastang, bij de buren ben langs gerend en tenslotte het gaas met een ijzerzaag heb losgemaakt. En Kuifje bungelde ondersteboven met haar kop in de sneeuw aan het hek. Schapen bedanken hun weldoeners overigens niet, wanneer zij gered van amputatie, bij het hek vandaan lopen. Hooguit schudden zij hun vacht.
En terwijl het dagelijks voeren door blijft gaan en een paar dagen later een jong schaap van het vorig jaar zonder aanwijsbare oorzaak dood in de wei ligt, en terwijl bij de eerstvolgende sneeuwaanval de schapen wéér in een ander weiland staan en het maar niet stopt met vriezen, ging ik mij bij vlagen afvragen waarmee ik nu eigenlijk bezig was.
En vanochtend daagde het; deze barre winter heeft mij enorm veel geleerd.
Ik weet dat schapen over het ijs gaan dwalen, wanneer zij het verschil tussen sloot en wei niet meer zien en ik weet nu dat goede afzettingen cruciaal zijn en ik weet ook dat dit met een simpel stroomdraadje goed te doen is.
Ik ken het belang van een draadtang voor het losknippen van schapen en van een grote hamer voor het kapot slaan van het ijs in de sloten.
Ik weet dat de trailer ideaal is voor de opslag van hooi en niet voor het tegenhouden van eigenwijze rammetjes.
Ik heb inmiddels winterlaarzen gekocht met een 4,5 cm dikke laag neopreen, dat scheelt heel veel koude tenen en verder ga ik niet van huis zonder fleece handschoenen.
Ik koop nu hooi en stro in grote hoeveelheden en ik kan zeer routineus mijn vlijmscherpe mes zetten in een voerzak, die ik half uit mijn auto laat hangen boven de voorraadton.
Ik heb geleerd niet meer de auto te stofzuigen, zolang er iedere twee weken 40 kilo hooi in de achterbak wordt vervoerd èn ik heb altijd vuilniszakken bij mij om kleine plukken hooi het veld op te dragen.
Ik weet dat er een aantal mensen zijn, die ik altijd kan bellen wanneer ik hulp nodig heb.
Maar bovenal weet ik, dat ik deze hobby, dit werk, nog steeds prachtig vind.
Ik heb namelijk ook geleerd dat ik uiterst behoedzaam het veld moet benaderen wanneer ik mijn dagelijkse voerronde doe. Zo stil mogelijk laat ik de auto uitrollen bij het weiland en ik open voorzichtig het portier. Van binnenuit kan ik de achterklep van het slot doen en dan sluip ik om de auto heen om een zak met hooi te pakken. Ik werp een sluikse blik op het veld en zie dat ze me nog niet doorhebben. Mooi, hoe langer hoe beter! Ik loop naar de voerton, maar voor ik hem opendraai controleer ik of de weg vrij is om een sprintje te trekken naar de voerbakken. Voorzichtig draai ik het deksel van de ton open en schep er het voer uit… En dat horen ze! Twaalf schapenkopen schieten omhoog, ze kijken in mijn richting en dan komt alles in beweging. Ik trek het hek open, klap het achter mij dicht, ruk mij los als ik aan mijn jas blijf hangen en ren naar de voerbakken. Te laat meestal en dan dringen de vuile wollen lijven om mijn benen, vechten om hun kop in de bak te duwen, blijven met hun hoorns aan mijn benen en jaszak hangen, stoten mij nagenoeg van de benen en maken er een algemene chaos van.
Ik weet wel dat ze niet voor mij komen, maar voor het voer. En toch is het leuk om dagelijks even populair te zijn.
Anna, 11 februari 2010