Met de schaatsen in gedachten al onder de voeten, rijd ik snel naar de velden om de schapen hun bijvoer te geven. Nog op de provinciale weg zie ik in een flits dat er iets niet klopt. Waar staan de schapen? Normaal liggen zij trouw bij het hek op me te wachten en nu, niets! Gierend rem ik voor het hek en spring, al speurend, in mijn laarzen. Geen schaap te zien! Rammelend met de plastic bak met voer loop ik het veld op en in alle wittigheid ontwaar ik een veld of wat verderop mijn vuilwitte pluizebolletjes. De sloot overgestoken; ik denk nog in simpele oplossingen. Hekken, flexnetten? Vanuit mijn ooghoek zie ik over de lengte van de sloot een rood druppelspoor. Hoe verder ik, gealarmeerd, de slootkant volg hoe breder het spoor wordt om te eindigen in een flinke plas bloed. Opkijkend tel ik de schapen die aan komen hollen en ja, het zijn er acht in plaats van negen. Eén van de kleine ouessantjes mist.
Ik strooi de schapenkorrels in de richting van de voerbak, zeg de schapen later in de middag nog wat hooi toe en rijd naar het erf van de boer. Daar staat de boerin en wenkt mij wild naar zich toe. “Is hij dood?” roep ik door het raampje. Maar nee, in de stal, hond van campinggasten, veearts onderweg! In de stal zit, op een baal stro, doordrenkt met bloed, de eigenares van de hond met het ouessantje op schoot. De boer, zijn armen ook rood van het bloed, vertelt wat er is gebeurd. Ze hadden even staan praten, de hond liep rond over het erf en was plotseling weggerend en twee velden verder had hij de schapen op het trainingsveld opgejaagd en dit kleintje te pakken gekregen! Ik aai het slap liggende schaapje zacht over zijn kop. Wat een bloed voor zo’n klein beestje.
Korte tijd later arriveert de veearts en met haar toch weer optimisme en wat vrolijkheid. Het valt niet mee, zegt ze. Het hele gewricht ligt open en ze verwacht een behoorlijke ontsteking. Verbluffend snel niet ze de wonden dicht en spuit het schaapje vol met antibiotica en pijnstillers. Zeven dagen lang moet er antibiotica gespoten worden en er moet een plekje in de stal worden vrijgemaakt. Tot zover het drama van de week, denk ik. Maar dan rolt de staldeur open en roept de boerin naar binnen dat de andere schapen op de weg lopen. Wij, campinggasten, boer en ik, nemen afscheid van de veearts en lopen in gezwinde spoed het veld op en wat ben ik dan blij dat ik al weken bijvoer! Wanneer de schapen mij in de verte zien aankomen denken ze maar aan één ding; ETEN! En braaf hobbelen ze in mijn richting en kunnen we ze vrij gemakkelijk door het besneeuwde veld naar het dekveld drijven. Daar staan echter de rammen en Jantje’s ogen beginnen al te glimmen bij al dat extra vrouwelijk schoon dan zijn terrein betreedt. De rammen moeten weg dus. Met enige moeite krijgen we ze te pakken, toch handig die hoorns, en leiden ze naar de trailer. Even een tussenstop, dat geeft ons de tijd om een provisorisch verblijf te bouwen op het parkeer terrein. Dan is sneeuw toch handig, want als schaatsen (en wie had er nog aan schaatsen gedacht?) glijden de hekken door de sneeuw! We zetten de rammetjes in hun nieuwe verblijf, ik voer nog hier en daar wat en kijk nog even in de stal naar het ouessantje, dat redelijk alert voor zich uit ligt te kijken. Toch nog alles geregeld, denk ik.
Tegen de avond, ja we hebben nog een half uur geschaatst, rijd ik toch nog even langs om te kijken of alles goed gaat! De stal is aardedonker en ik heb geen idee waar het lichtknopje zit. Hm, dan maar even bij de rammetjes kijken. Ach, hoe maak je je dag nòg lastiger dan hij al was? Het kleinste rammetje is ontsnapt. Gemoedelijk grazend aan de sprietjes die door de sneeuw heen steken wandelt hij rond over het parkeer terrein. Wel alle…! Het is half zes en het wordt in rap tempo donker. Op het erf vind ik een pallet, die ik naar het parkeerterrein sjouw. Na enig vrolijk heen en weer gedraaf zet ik het rammetje klem in een hoek en moeiteloos wringt hij zich door het hek. Terug in het rammenverblijf! Moedeloos bekijk ik het vijf meter lange hek. De spijlen liggen voor dit kleine beestje veel te ver uit elkaar. In het duister kijk ik om mij heen; dat ene palletje dekt net een meter van het hek. Er staat een verlaten voetbal doel, waarvan het zijnet met slechts twee touwtjes vastzit. Enigszins aarzelend pak ik het vlijmscherpe mes, dat ik op Kerstmis van dochter en schoonzoon heb gekregen uit mijn jaszak. Met twee flinke halen snijd ik het net los en knoop het om het hek. We houden nog zo’n drie meter over… Wat nu? Tien meter verder staat de trailer. In mijn overmoed lijkt dit een briljant plan! Ik rijd gewoon de trailer ernaar toe en die zet ik strak langs het hek. Dit moet handmatig natuurlijk! Het dikke half uur dat op deze gedachten volgt heb ik weggeblokt. Het enige wat ik als samenvatting kan geven is kreunen, steunen, vloeken, duwen, pijn, kou, trekken, wielen op mijn tenen, sneeuwheuvels die maar niet weg willen en drie rammen die dom naar mij staan te kijken. Maar uiteindelijk staat de trailer dan waar ik hem hebben wil. Ik ben echter zo koud en moe dat ik er geen plezier meer in kan hebben en ik strompel naar de weg, waar de auto staat. Ik wil een andere hobby, ik ga dammen ofzo!
Thuis word ik niet meer warm. Ik wikkel een deken om mij heen, gooi de verwarming op 22 graden en zet er nog een elektrisch kacheltje bij op zijn hoogste stand. Niets helpt en bibberend kreun ik tegen de honden; “Oh, jongens, ik heb het zó koud!” Ogenblikkelijk staan drie van de vier honden op, springen op de bank en gaan boven op mij liggen. Toegegeven, ik heb er ook nog wat cognac tegenaan gegooid, maar wat een troost en warmte gaat er van die warme hondenlijven uit!
Anna, 14 januari 2010