Home en Nieuws
Avondtrainingen 2012
Trials Uitleg
Tweeling geboorte
Naar Buiten
Reilley-Keir
Reilley-Keir Honden
Border Collies
Schapen
Indische Loopeenden
Schaapskudde Loenen
Welsh Pages
Clinics
Columns
Waarom eigenlijk?
Advies vragen
Kom HIER!
Communicatie
Honden mee ...?
Kwartjes vallen...
Waterig Weekend
Fietsverlichting
Communicatie 2
Foto's en filmpjes
Pfft! Werktest
Puppystreken
Tuttenclub
Waterwerken
Hillfarming in Wales
Een hobby..?
Hooligan
Riemen en Sokken
Bloed, zweet, tranen
Zaterdagmiddag
Muis
Wedstrijdverslag
Nummer 015
Daffy
Klein en Lief
Halloween column
Winter
Winter 2
Winter - Slot
Asbakkenhonden
Trainingsartikelen
Aanbevolen boeken
Bekeken films
Foto's
WT foto pagina
Links
Archief
Contactformulier
Website Index
TULLY'S BLACK HOUNDS

Tully’s Brain

 

Niet zo heel lang geleden woonde er een man in een oude caravan aan de rand van het bos. De man die Tully heette was, is zijn soort een griezelige verschijning. Zijn gelaat was volkomen kleurloos, bijna wit. Net als zijn wijd uitstaande haar, borstelige wenkbrauwen en lege ogen. Weinig mensen bemoeiden zich met Tully en hij bemoeide zich met niemand. Zo wit als zijn verschijning was, zo duister was zijn gemoed. Tully had een zwarte ziel en vier zwarte honden.

De kleinste was een felle, gitzwart, op het wit van haar ogen en blikkerende tanden na. Zij hield alles scherp in de gaten, greep in waar nodig en hield de roedel in toom. De gespikkelde hield zich afzijdig. Soms kon zij de roep van het bos niet weerstaan en verdween een poosje. Maar de ongeruste signalen van de kleine zwarte brachten haar telkens terug. Haar snelheid was legendarisch. Nummer drie was nog jong. De tekening rond zijn ogen gaven hem wat wolfachtigs en zijn sluipachtige gang versterkte dat effect. Een mager wendbaar hondje met een onvoorstelbare spierkracht. De oudste, tenslotte, had brede witte manen en met zijn opgetrokken bovenlip, snelle tongbewegingen en waarschuwend gesnuif was hij in staat veelal zijn zin te krijgen.

Tully zorgde slecht voor zijn honden. Dagelijks verdween hij uren het bos in. Zijn geweer tegen zijn schouder en een rammelende bol wildklemmen in zijn hand. Zijn witte lege ogen keken langs de honden heen wanneer hij ze aan de ketting legde en wat hompen oud brood voor ze neergooide. Honden verlangen nooit meer dan ze gewend zijn, dus ze aten het brood en wachtten tot Tully terugkwam. De jongste deed wel eens pogingen zijn ketting door te bijten. Met de touwen waarmee Tully zijn honden eerst vastlegde lukte hem dat snel genoeg om zijn baas te kunnen volgen. Hij wilde zó graag samen met de baas het bos in. Maar Tully sloeg hem tot bloedens toe en kocht de kettingen. En de honden berustten in hun lot en begroetten vol blijdschap Tully, wanneer hij ’s avonds terugkwam. Dan vilde hij de konijnen en soms vossen die hij overdag gevangen had. Hij gooide de honden het afval toe, die er dankbaar op af doken.

Op een avond bij schemerdonker kwam Tully zonder buit terug. Hij liep sneller dan normaal, mompelde grommend tegen zichzelf en sloeg de deur van de caravan achter zich dicht. De honden rukten aan hun kettingen in een poging bij de deur te komen. Maar Tully kwam niet meer naar buiten. De hele avond zagen zij hem langs de ramen heen en weer lopen. Hij hield zijn handen voor zijn gezicht, schudde zijn hoofd en streek wild door zijn haar. In de vroege ochtend van de volgende dag verscheen hij in de deuropening. Zijn ogen waren bloeddoorlopen en zijn wenkbrauwen leken eens zo wit. In zijn handen had hij hompen oud brood en over zijn schouder hing zijn jachtgeweer.

“Het witte edelhert.” fluisterde hij, zijn mond vertrok zich tot waarschijnlijk de eerste grijns van zijn leven en het viel de honden op dat er geen tanden blikkerden in de zwarte diepte. Kwispelend wachtten zij op hun stukken brood, maar Tussy nam ze mee het bos in. Dit herhaalde zich een flink aantal dagen en hoewel honden geen besef van tijd hebben wisten zij door hun toenemend hongergevoel, dat het lang duurde. Dag na dag lagen zij in hun eigen vuil, dronken het water van de regen dat in plassen om hen heen lag en verdreven de verveling door aan hun poten te knagen.

Tully had geen succes tijdens zijn strooptochten door het bos. Dagelijks kwam hij in steeds groter verwarring thuis, hij vloekte en tierde over “het witte edelhert”, het “witte monster” en de “witte geest”. Het leek zijn hersens aan te tasten. Nooit eerder had een prooi hem zo van zijn stuk kunnen brengen. In zijn verwante witheid had het edelhert het contrast met de zwartheid van Tully’s ziel nog verscherpt. Hij ging over tot het koken van soep van giftige oranje bospompoenen, hij maakte een stoofpot van zwarte zwammen met scherpe uien en verspreidde zijn kooksels door het bos. Niets hielp, dagelijks paradeerde het witte edelhert in draf langs hem heen en als hij schoot leek het dier op te lossen. Intussen vermagerden de honden. Er was geen blijdschap meer als Tully thuiskwam. Een vage kwispel en een flauwe blik van herkenning was alles wat ze nog op konden brengen. En toen Tully de honden op een ochtend losmaakte van de kettingen en gromde dat ze mee moesten komen, konden zij nauwelijks overeind komen.

“Jullie gaan hem voor me vangen” riep Tully, “schiet op!” Vertwijfeld dribbelden de honden om hem heen. Het wolfje sprong uiteindelijk tegen hem op en Tully schopte hem vooruit. De oudste snoof en de zwarte sprong er blaffend tussen. De gespikkelde was al vooruit gerend en in het bos verdwenen. Aan het eind van het pad verzamelden zij zich en wachtten op Tully. Die kwam zwijgend het pad af en leidde de honden verder het bos in. Kwijlend merkten zij de halfvergane stukken brood op en de schalen met beschimmelde soep en stoofpot. Maar bij elke aarzeling werden zij voortgejaagd door een bezeten Tully.

Uiteindelijk werd het bos lichter en Tully bleef staan. De honden draaiden zich naar hem toe.

“Daar ie hij, mijn witte hersenspinsel. Hij zit in m’n hoofd. Breng ‘m naar mij toe!” siste hij, Vooruit en verdien nu eindelijk het dak boven je hoofd en het eten dat ik jullie geef!” Hij laadde zijn jachtgeweer en hurkte naast een boom.

Aarzelend wendden de honden hun blik naar het punt van Tully’s aandacht. En daar stond het witte edelhert. Trots met het enorme gewei geheven, de brede borst vooruit. De kleine zwarte roedelleider deed een paar pasjes terug en liet één zachte waarschuwende blaf horen, de oudste hond met de witte kraag snoof en trok zijn lip op, het wolfje zakte door de poten en bleef doodstil staan, de gespikkelde tenslotte wendde haar blik af. Zij kenden Tully, groot en wit en Tully was hun baas. Hier stond het edelhert, wit en imposant, maar met de meest zachtmoedige donkere ogen die zij ooit gezien hadden. Hier stond een leider wiens blik hen vroeg hem te volgen.

Een klik van het geweer achter hen verbrak de betovering. “Schiet op nou, verdomde honden! Haal dat beest hier!” Tully’s stem kwam grommend vanuit zijn keel. De roedel draaide zich langzaam om. Verstijfd staarden de vier Tully recht aan. Tully liet het geweer zakken en kwam overeind, hij stapte een paar passen achteruit en draaide zich om. Dat was het signaal. Het witte edelhert boog het hoofd en krabde met een hoef in de bosgrond.

De gespikkelde schoot als eerste vooruit. Met fenomenale snelheid haalde zij Tully in en stopte hem af en op hetzelfde moment sprong het wolfje met al zijn kracht met alle poten tegelijk tegen zijn rug en bracht hem ten val. De kleine zwarte en de oudste met de brede kraag volgden blaffend en met blikkerende tanden.

Het was niet duidelijk wie van de vier het eerste zijn honger stilde. Wèl stond later in de kranten vermeld dat van Tully slechts zijn hersens, wit glanzend zijn teruggevonden en een aantal vingers, bruin van het klauwen in de bosgrond. Maar niemand maakte zich daar eigenlijk druk over.

De honden worden soms nog in het bos gezien. Van een afstand lijken zij een witte mistbank te volgen. Zij zien er gelukkig en weldoorvoed uit.

 

Anna, Halloween 2009

Reilley-Keir Border Collies
info@reilley-keir.com